Slaagkans

Functievraag

Een vraag naar wat een genoemd voorbeeld, persoon of geval in de tekst doet — welke bewering het dient.

4 van onze 291 B2-leesvragen. De vraag luidt Waarom noemt de auteur X? of Met welk doel noemt de auteur X?, en X is iets concreets — een schoonmaker en een bestuurder, een medische test, het blauwe licht van beeldschermen. Waar de Argumentatievraag vraagt welke zet een zin doet, vraagt deze waar iets concreets aan vastzit: elk voorbeeld in een B2-tekst hangt aan een bewering, meestal de zin er direct voor. De foute opties halen het los — ze maken van het voorbeeld een oordeel over de genoemde mensen, blazen het op tot bewijs voor iets veel groters, of hangen het aan een zin ernaast.

Hoe het examen dit toetst

Lezen van Programma II: ongeveer 35–36 meerkeuzevragen over zo'n zes teksten in 100 minuten, computergecorrigeerd. De juiste optie begint meestal met een doelformule — Als voorbeeld van …, Als contrast dat aantoont dat …, Om te laten zien dat … — en maakt die af met de bewering die het voorbeeld ondersteunt. De foute opties gebruiken dezelfde formules met een verkeerd slot: een houding tegenover de mensen in het voorbeeld (Om schoonmakers te bekritiseren), een conclusie die veel groter is dan één voorbeeld kan dragen (Om te bewijzen dat zeldzame ziekten niet bestaan), of de functie van een andere zin uit dezelfde alinea.

Wat is er mis met deze zin?

Als bewijs dat de sterke vorm van de taalrelativiteit alsnog blijkt te kloppen

Veel kandidaten schrijven het precies zo en verliezen het punt zonder te weten waarom.

De rest van deze les

De regel, de uitgewerkte voorbeelden, de uitzonderingen en wat u in het examenlokaal doet openen met Mastery, samen met alle andere lessen voor dit examen.

Bekijk de pakketten