Slaagkans

De eerste 5 lessen zijn gratis. De rest opent met Mastery.

Argumentatievraag

Een vraag naar wat een zin doet in de redenering — waarom de schrijver hem daar zette, niet wat hij zegt.

Inhoud

1.Wat het is

16 van onze 268 B2-leesvragen, en het type dat een lezer van een vertaler onderscheidt. De vraag luidt meestal Waarom noemt de auteur X? of Welke denkfout ziet de auteur? Je kunt elk woord van de zin over X begrijpen en het punt toch missen, want de vraag gaat over de functie van die zin: is het bewijs, een tegenvoorbeeld, een bezwaar dat wordt opgezet om te worden ontkracht, of een toegeving. Niets in de zin zelf zegt welke.

2.In beeld

?bewijstegenvoorbeeldopgezet bezwaartoegeving
Vier functies die één zin kan hebben. De omringende zinnen zeggen welke.

3.Hoe het examen dit toetst

Ongeveer 40 meerkeuzevragen over zo'n 6–7 teksten in 100 minuten, computergecorrigeerd, uit opiniestukken en analyses in plaats van berichten. De juiste optie noemt een functie — als voorbeeld van, om te weerleggen, om te laten zien dat het bezwaar niet opgaat. De foute opties herhalen wat de zin letterlijk zei, of geven de functie een sterkere vorm dan de tekst draagt. Omdat het antwoord over structuur gaat, staat het bijna nooit in de zin die in de vraag wordt aangehaald: het staat in de zin ervoor of erna.

4.De regel

Denk bijvoorbeeld aan …
Een illustratie van een zojuist gemaakte bewering. De functie is steun, en de bewering staat in de zin erboven.
Critici stellen dat … Maar …
Een bezwaar dat de schrijver opwerpt om het te beantwoorden. Het aangehaalde standpunt is niet dat van de schrijver, de maar-zin wel.
Ook toen voorspelde men … en dat gebeurde niet.
Een historische parallel om een voorspelling te ontkrachten. Het oude geval is het argument, niet het onderwerp.
Weliswaar … maar …
Een toegeving gevolgd door het echte punt. De eerste helft wordt toegegeven, de tweede wordt beargumenteerd.
De redenering gaat mank omdat …
De schrijver benoemt een fout. Vraagt een vraag naar een denkfout, dan is dit de zin die hem beantwoordt.

5.Voorbeelden

  • Bij de introductie van de rekenmachine en het internet klonken dezelfde alarmerende voorspellingen. Ze zijn niet uitgekomen.

    Om te laten zien dat leerlingen niet meer kunnen rekenen.

    Gevraagd waarom de auteur de rekenmachine en het internet noemt: als gevallen waarin het alarm ongelijk kreeg. De optie dat de auteur laat zien dat leerlingen niet meer kunnen rekenen geeft een echte zorg uit de tekst weer en beantwoordt een inhoudsvraag, geen functievraag.

  • Tegenstanders vinden dat cultuur zichzelf via de markt moet bekostigen. Dat veronderstelt dat elk publiek bereid is de volledige kostprijs te betalen — en dat is nooit ergens het geval geweest.

    De denkfout is de aanname in de eerste zin, niet de mening erin. Opties die het standpunt van de tegenstanders correct weergeven zijn juist daarom fout: de vraag vroeg naar de fout die de schrijver erin ziet.

  • Het effect is weliswaar aangetoond, maar alleen in een groep van dertig deelnemers.

    Een toegeving die er staat om gevolgd te worden. Gevraagd wat de schrijver van de bevinding vindt, staat het antwoord voorbij maar, en de optie die uit weliswaar is aangetoond is gebouwd is de val.

6.Uitzonderingen

  • Uitzondering 1

    Soms benoemt de schrijver de functie zelf — als voorbeeld, ter illustratie, om aan te tonen dat. Dan is de vraag met één woord beantwoord en kost hij tien seconden. Zie dat en ga door, in plaats van de alinea voor de zekerheid nog eens te lezen.

7.Let op

  • Antwoorden met wat de zin zegt in plaats van wat hij doet. Elk van deze vragen biedt minstens één optie die een trouwe samenvatting van de aangehaalde zin is, en die is fout.
  • Een bezwaar dat de schrijver opzet lezen als zijn eigen standpunt. Critici stellen dat introduceert iets dat op het punt staat te worden afgebroken.
  • De sterke versie nemen. Gebruikt de tekst een oud geval om te laten zien dat één voorspelling niet uitkwam, dan gaat een optie dat technologie nooit schadelijk is te ver — en te ver gaan is op B2 de standaardfoutoptie.

8.In het examenlokaal

Zoek de aangehaalde zin op en lees dan de zin ervoor en die erna — dat paar bevat het antwoord veel vaker dan de zin zelf. Zeg de functie in drie woorden hardop voordat je naar de opties kijkt: hij steunt, hij weerlegt, hij geeft toe. Neem daarna de optie die dat zegt, en verwerp elke optie die je uit de aangehaalde zin alleen had kunnen schrijven.

Niet wat de zin zegt. Wat de zin doet.

Oefen dit onderdeel